Delen

Fiona Tan. Daniel Turner. Oriol Vilanova
23.05.21 > 29.08.21

Zoals de muur die op de klimop wacht

Fiona Tan / Daniel Turner / Oriol Vilanova

 

De tentoonstelling, die de twee identieke ruimtes inneemt van het voormalige ‘Ingenieurshuis’, waarvan enkel de gevels zijn overgebleven van de oorspronkelijke architectuur, houdt een poëtische en kritische reflectie over het thema ruïnes. Ze bestaat uit een installatie van Oriol Vilanova die deel uitmaakt van de museumcollectie, een dubbele projectie van films van Fiona Tan en een sculptuur van Daniel Turner.

 

De installatie Vues imaginaires (2017) - meerdere beeldenmozaïeken die stelselmatig zijn opgebouwd langs de muren –  bestaat uit een collectie van honderden postkaarten die ruïnes afbeelden, voornamelijk archeologisch van aard of als gevolg van oorlogen. Deze postkaarten zijn verzameld door Oriol Vilanova op rommelmarkten. Het werk Ruins (2020) toont twee films die opgenomen zijn door Fiona Tan in de voormalige machinebouwplaats van Grand-Hornu tijdens haar recente residentie in het MACS. De ene film is in high-definition video, de andere in Super 16 mm. Beide films worden apart geprojecteerd op schermen die op een afstand van elkaar zijn geplaatst. Als een soort schakel tussen deze twee installaties en als reactie op het gedicht Über die Bauart langdauernder Werke (1929) van Bertolt Brecht, waarvan een versregel gebruikt is als titel voor deze tentoonstelling, staat de sculptuur van Daniel Turner, RH2 (2012). Dit werk breidt op zijn beurt de beeldspraak van architecturale ruïnes uit naar een kritiek op de kapitalistische economie en op het proces van ‘creatieve destructie’: handgrepen van oude koelkasten, waarbij ook het aangekoekte vuil van ontelbare handen van generaties terug bewaard is gebleven, krijgen de status van archeologisch artefact. In die zin suggereert de tentoonstelling dat de apparatuur en de gebouwen die we een blijvend karakter hebben gegeven, niet echt “beschermd zijn tegen de tijd” maar eerder “de tijd beschermen”, net als de bedrijven en instellingen uit een tijdperk dat minder tot het verleden behoort dan aangetroffen wordt in hun overblijfselen en archieven. 

 

Door gebruik te maken van dragers zoals postkaarten en pellicule, die als gevolg van de digitale evolutie verouderd zijn, zetten Oriol Vilanova en Fiona Tan hulpmiddelen in die de blik van de kijker langzaam doen kantelen van “het beeld van de ruïne naar de ruïne van het beeld”. Bij Vues imaginaires is deze bewustwording van de duur van beelden het resultaat van een work in progress, dat begint bij het verkennen van rommelmarkten door de kunstenaar, verdergaat met het selecteren en ordenen van zijn ontdekkingen en met het kiezen van het middel om zijn collecties te presenteren, en dat eindigt bij de ‘witruimtes’ in afwachting van zijn toekomstige vondsten. De kunstenaar-verzamelaar heeft zo een economie voor ogen die ingaat tegen de industriële productie van kiekjes, als een zoektocht naar ‘verschil in de herhaling’. Bij Ruins gaat het om de bewaring van technische defecten in het cinematografische beeld, meer specifiek de korrel in de fotografie of de krassen op de pellicule, waarmee we de duur intuïtief kunnen capteren door te ontsnappen aan de wetenschappelijke definitie van tijd en aan het gebrek aan verbeelding. Dit is vergelijkbaar met de vergane delen van ruïnes: “Wat ooit binnenshuis, privé en beschermd was, is uitgekleed en ontbloot,” schrijft Fiona Tan over de omkering van het perspectief.

 

“Kamers, muren, hoeken en nissen worden blootgesteld aan de elementen. Het gebouw is als het ware ondersteboven en binnenstebuiten gekeerd. Ik ben me sterk bewust geworden van negatieve ruimtes en van wat er ontbreekt. Zoals terra incognita, de lege plekken op een kaart, is elke kloof of elk gat een puzzel, en kan het wijzen op eventuele creatieve mogelijkheden”.
Door elk op hun eigen manier gebruik te maken van dergelijke ‘negatieve ruimtes’, volgens een entropische visie op een wereld die in de omgekeerde richting evolueert, werpen de drie kunstenaars een dubbele kritische blik op de paradox van een moderniteit die gedreven is door veroudering, en op de duur van werken, “zoals de muur die wacht op de klimop”, op een toekomst. 

 

Denis Gielen
Curator van de tentoonstelling