Interview met Cristina Garrido
Hoe zou u uw kunst omschrijven in een paar zinnen?
In mijn kunstpraktijk gebruik ik kunst – het professionele veld en de context waarin ik werk en waarin mijn werken verspreid worden – vaak als een manier om ruimere maatschappelijke, politieke en culturele kwesties in vraag te stellen. Ik beschouw het als een vorm van onderzoek dat de functie en betekenis van kunstpraktijk en kunstgeschiedenis bevraagt door bepaalde methodologieën te ontwikkelen die uitmonden in beelden, voorwerpen of handelingen.
Hoe bent u voor het eerst in aanraking gekomen met kunstgeschiedenis?
Hoewel mijn vader professioneel geen band had met cultuur, was hij altijd al gepassioneerd door schilderkunst. Hij nam me al op heel jonge leeftijd mee naar musea. De namen van beroemde schilders waren op de een of andere manier aanwezig in mijn kindertijd en ik was er al van jongs af aan mee vertrouwd.
Toen ik schone kunsten studeerde aan de Universidad Complutense van Madrid – een school die nog geworteld is in traditionele disciplines en sterk gefocust is op technische vaardigheden – groeide mijn interesse voor kunstgeschiedenis samen met mijn praktijk. Ik raakte gefascineerd door hoe kunstgeschiedenis niet louter werken beschrijft. Het is zogenaamd objectief, maar het construeert narratieven die ons perspectief op kunst vormgeven. Die verhalen worden vaak zo krachtig dat ze uiteindelijk de beleving van de kunstwerken zelf vervangen.
Ik ben geïnteresseerd in hoe deze interpretatiekaders opgebouwd zijn – wie ze mag vertellen en hoe ze invloed hebben op wat we waarderen of over het hoofd zien. Niet enkel kunsthistorici, maar ook kunstfotografen, curatoren en instellingen werken mee aan die storytelling. Zo bepalen ze de visuele en discursieve omstandigheden waarin we met kunst in contact komen.
Grand-Hornu is een vroegere mijnsite met een unieke architectuur en lichtinval. Hoe heeft het museum de manier beïnvloed waarop u uw tentoonstelling uitgewerkt hebt?
Het heeft zeker geholpen om het museum meermaals te bezoeken tijdens de voorbereiding. Ik zag hoe verschillende tentoonstellingen plaatsvonden en het viel me op hoe de sfeer kon wijzigen, ondanks het uitgesproken karakter van het gebouw.
Nog meer dan de opvallende architectuur werden mijn interesse en inspiratie gevoed door het museum als een vat vol verschillende ervaringen en herinneringen: de tentoonstellingen die erin hebben plaatsgevonden sinds de oprichting in 2002, het publiek dat kwam kijken, de kunstenaars die er hun werk getoond hebben, het museumpersoneel en de kunstfotografen. Dankzij de foto’s van die kunstfotografen kon ik grasduinen door vroegere tentoonstellingen zonder ze live gezien te hebben.
Tijdens een van mijn bezoeken aan Brussel wou ik de Belgische kunstfotograaf en kunstenaar Philippe De Gobert ontmoeten. Hij is een levende legende in de Belgische kunstwereld die jarenlang tentoonstellingen in het MACS – en in de rest van het land – gedocumenteerd heeft en die hier ook een solotentoonstelling heeft gehad in 2017. Het was heel bijzonder om hem samen met Denis Gielen en Jérôme André te bezoeken in zijn studio en zijn fotoarchief te zien. Zijn documenteerwerk van tentoonstellingen – samen met het werk van de geweldige kunstfotografe Isabelle Arthuis, die deze taak recent voortgezet heeft – heeft zowel een conceptuele als materiële invloed gehad op het nieuwe werk dat ik voor deze tentoonstelling gemaakt heb: Déjà-vu – Salle Pont, MACS, Grand-Hornu (2002–2025).
Deze installatie blikt terug op alles wat daar gepasseerd is vóór mijn tentoonstelling. Het is een bijna onzichtbare handeling die de gedachte oproept aan vroegere kunstwerken en kunstenaars die die ruimte ingenomen hebben. Aangezien ‘omgaan met de herinnering’ een van de missies is van het museum, beschouw ik dit werk als een antwoord op dat idee van herinneren of terugblikken.
Deze nieuwe installatie maakt gebruik van anamorfose. Hoe bent u beginnen werken met deze techniek, en hoe is het geëvolueerd voor deze tentoonstelling?
Dat is begonnen bij een vorig project, een video en een boek getiteld The Invisible Art of Documenting Art. Dat is een onderzoeksproject over de figuur van de kunstfotograaf, een bijna onzichtbare maar essentiële verschijning in het kunstsysteem. Vandaag de dag beleven we kunst meestal via digitale media, zoals computers, websites en social media. We zien veel meer ‘beelden’ dan we de kunstwerken zelf zien.
Tijdens dat onderzoek besefte ik dat die taak meestal uitgevoerd wordt door een beperkt aantal mensen. Het is straf als je bedenkt dat de meeste tentoonstellingen in een land als België of Spanje vaak bekeken worden door de lens van dezelfde fotografen. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid: wie zijn dat? Houden ze van kunst? Wat zijn hun favoriete manieren van documenteren? Hoe beslissen ze de manier waarop ze een tentoonstelling of een kunstwerk fotograferen?
Vanaf dat punt raakte ik geïnteresseerd in anamorfose, een techniek die het gezichtspunt van de kijker zichtbaar maakt. Wanneer we kijken naar een foto van een sculptuur, zijn we geneigd om te veronderstellen dat de fotograaf objectief is, dat die niets manipuleert. Maar wat als de realiteit volledig anders is dan het beeld? In zekere zin is elke foto een anamorfose…
Voor deze nieuwe installatie hebben we, samen met mijn assistent Alberto Custodia, een softwareproces ontwikkeld om beelden van fotografen in te geven en te vervormen. Zo wordt het oorspronkelijke perspectief onthuld van waaruit de foto’s genomen zijn. Ik begon dit idee te verkennen in mijn recente tentoonstelling bij Bombon Projects in Barcelona. Daar hercreëerde ik vijf beelden van vroegere tentoonstellingen en plaatste ik elk beeld op de exacte plaats waar het oorspronkelijke kunstwerk had gestaan. Het was een soort van ruimtelijke of sculpturale documentatie.
Voor Déjà Vu – Salle Pont, MACS, Grand-Hornu (2002–2025) wou ik buiten het fotografische kader treden en streefde ik naar een speelsere en zelfs humoristische interactie met de kijker. Omdat de ruimte zo lang is, hebben we structuren geplaatst waar bezoekers zich achter kunnen verbergen of opnieuw tevoorschijn kunnen komen. Op die manier is alles niet meteen zichtbaar. Bij sommige beelden gaat het niet om anamorfose, maar worden elementen geleend uit de beeldtaal van beurzen en advertenties – vluchtige structuren die verschijnen, echt lijken, en daarna opnieuw verdwijnen. De installatie op zijn geheel functioneert – bijna theatraal – als een podium.
Waarom koos u de titel « The White Cube is Never Empty » voor deze tentoonstelling?
Ik dacht aan hoe de geest van het verleden doorgaans door musea of kunstruimtes waart – door de sluimerende aanwezigheid van voorgaande tentoonstellingen en verhalen. Wanneer je aan de slag gaat in een ruimte, begin je nooit met een wit blad. Je vindt er overal sporen en stemmen die je voorgegaan zijn – zoals de kunstgeschiedenis zelf.
De titel weerspiegelt dat idee: ik doe een beroep op die eerdere aanwezigheden en ga ermee in gesprek. Terzelfder tijd verwijst de titel, in een letterlijkere opvatting, ook naar de voortdurende productie en verspreiding van kunst. Daardoor hebben we soms nauwelijks de tijd om erbij stil te staan, te reflecteren of het ten volle te verwerken.
U toont ook een werk dat gebaseerd is op Instagram-posts van curatoren. Hier maakt u er een nieuwe versie van. Doet u dat vaak, werk aanpassen aan nieuwe contexten?
Veel van mijn werken beginnen als een collectie van beelden. Aanvankelijk weet ik niet altijd wat het eindresultaat zal worden. Ik bedenk vaak: de collectie is boeiend, maar moét het iets anders worden? In 2016 begon ik beelden van Instagram-accounts van curatoren te verzamelen. Ik bedacht het als een tentoonstelling van curatoren binnen een tentoonstelling.
Uiteindelijk gaat het gewoon om beelden van op Instagram die geprint zijn op verschillende media; om als ware kunstwerken te verschijnen, moet de tentoonstellingsruimte hen daarin ondersteunen. Op een bepaalde manier wordt de vertoning zelf het werk, en treed ik op als de curator. Ik heb deze installatie eerder al opgebouwd en getoond, maar ik was nooit helemaal tevreden met de doeltreffendheid van de manier van tentoonstellen. Voor Grand-Hornu was de uitdaging om in te beelden hoe dit werk kon bestaan als een tentoonstelling binnen de tentoonstelling. Ik heb ervoor gekozen om dit te verwezenlijken met architecturale en decoratieve elementen, zoals de diepblauwe kleur. Zo ontstaat er een beeldtaal die doet denken aan hedendaagse groepstentoonstellingen. Door de diepblauwe tinten lijken de beelden te zweven, wat herinnert aan luchtvervoer of luchthavens. Ik hou van het idee dat kunstwerken bepaalde elementen kunnen aanpassen of updaten om effectief te blijven in het heden.
Uw werk maakt gebruik van AI, Instagram en andere technologieën. Hoe belangrijk vindt u het om nieuwe, snel evoluerende tools te gebruiken?
Ik ben altijd nieuwsgierig naar nieuwe tools, maar ik ben geen fan van innovatieve technologie an sich. Ik tracht wel werk te maken dat inspeelt op het heden. Daarom dat ik de tools gebruik die beschikbaar zijn op het moment dat ik het werk maak.
Bijvoorbeeld: in mijn recente audiovisuele werk Paragraphs on Make-Up Art (2025) was de voornaamste reden voor het gebruik van AI-software het vermogen om de illusie te creëren dat een groep make-upartiesten het werk Paragraphs on Conceptual Art van Sol LeWitt aan het citeren waren.
U hebt ook een Belgische kopiist uitgenodigd om eenmaal per maand de tentoonstelling live te komen schilderen. Vanwaar dat idee?
Ik wou deze performance incorporeren in de tentoonstelling, omdat het verband houdt met mijn Spaanse achtergrond, maar het ook een link heeft met de geschiedenis van schilderkunst in België – twee culturen waar schilderkunst een sleutelrol speelt in de westerse kunstgeschiedenis. Het centrale idee van dit werk is om de aanwezigheid van een mens te benadrukken of toe te voegen die zijn observatie- en schildervaardigheden gebruikt om een beeldende getuigenis te creëren van de tentoonstelling. Een persoon die meer tijd besteedt aan het bekijken van de tentoonstelling via zijn handen. Het dialogeert met het idee van de getuige van kunst (naast de kunstfotograaf of de anonieme kijker), een andere timing om naar een kunstwerk te kijken en de eigenheid van het gezichtspunt.
Het is een enigszins anachronistische techniek, maar een die ik heel erg respecteer. Wat gebeurt er wanneer iemand die geoefend is om Rubens te kopiëren, de blik richt op een installatie of audiovisueel werk dat geplaatst is in een museum voor hedendaagse kunst? Het is poëtisch – en jawel, het ruikt zelfs naar terpentijn in het museum! Het is ook heel leuk om een schilder bezig te zien, zelfs als je niet houdt van hedendaagse kunst. Ik had erg veel geluk dat mijn vriend Christophe Veys Daniel Cooreman op het spoor kwam, die geregeld een werk van Quinten Massijs kopieert in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel, en dat hij de uitdaging zag zitten.
Wat vindt u het belangrijkst aan hoe het publiek uw tentoonstelling ervaart?
Ik hoop dat de werken en de tentoonstelling toegankelijk zijn voor een divers museumpubliek. Wanneer ik – fysiek, conceptueel en zelfs politiek – een werk aan het maken ben, hou ik de kijkers steevast in het achterhoofd. Ik streef ernaar om werken te creëren die buiten de grenzen van de kunstwereld treden door meerdere toegangsniveaus aan te bieden (titels zijn bijvoorbeeld heel belangrijk in mijn praktijk). Het is niet mijn bedoeling om cryptisch te zijn. Ik beschouw kunst als een communicatiemiddel en mijn werken als een plek voor debat of als een middel om ideeën uit te lokken en kijkers aan te moedigen om bepaalde kwesties open en reflectief in vraag te stellen.